Making waves
- Date
- dirigent
- Catelijn van Berkel
- regie
- Mirte Bulsink
- spreker en tekst
- Bas Cornelissen
Een voorstelling met muziek van Hildegard van Bingen, Perotinus, Pärt, Stockhausen, MacMillan en Josquin. De gesproken tekst is hier terug te lezen.
Inleiding
[Hildegard van Bingen — O Choruscans Lux]
Wanneer weten we niet, maar ooit zong iemand voor het eerst een lied. Adem stroomde, stembanden trilden, een trilling, nee — een zindering ging door de lucht: een melodie.
Misschien was het een kinderliedje, een soort uit de hand gelopen baby-praat: “ja, dat is mooi he!” Want hulpeloos worden we uit de baarmoeder geperst. Poepen kunnen we dan wel en krijsen, dat kunnen we ook. Maar wat bedoelt dat kind ermee? Koud? Warm? Honger? Een liedje dan maar…
Overal op aarde zingen we voor onze kinderen. Muziek doet wat taal dan nog niet kan: onze diepste gevoelens verklanken. Liefde of verlies, het heilige of heilloze, vreugde of strijd. Met een handjevol noten kan je mijn trommelvlies beroeren, me aanraken met zieleroerselen die me tot tranen roeren. Is muziek de grondtoon van ons bestaan?
[Hildegard van Bingen — O vis aeternitatis]
De harmonie der sferen
De grondtoon van ons bestaan? Muziek is toch iets voor flierefluiters? Van dat vrijblijvende vertier? Dat ook, maar ooit was muziek een soort scheur in de kosmos, een groef die houvast gaf toen de Grieken de natuur wilden doorgronden. Want in de muziek dringen de wiskundige wetmatigheden zich zowat aan je op.
Stel, ik neem een snaar, en zet mijn vinger precies halverwege. Dan krijg je een toon die een octaaf hoger klinkt. De twee tonen klinken zo goed samen, dat ze bijna ‘hetzelfde’ zijn. Zozeer dat als u hier samen één liedje zou zingen, u waarschijnlijk in octaven zou zingen.
Stel, ik zet mijn vinger op één derde van de snaar. De samenklank die u hoort noemen we een kwint. Op één kwart van de snaar hoort u— misschien raadt u het al — een kwart. Op één vijfde van de snaar een terts: een grote, opgewekte terts. Op één zesde van de snaar hoort u weer een terts, maar nu een kleine, teneergeslagen terts.
Pythagoras en de zijnen stonden voor een mysterie. Deze intervallen, deze afstanden, kenden ze als de bouwstenen van de muziek. Nog steeds vinden we ze in muziek van over de hele wereld. Maar waar komen toch die gehele getallen vandaan? Waarom gebruikt muziek zulke mooie, geheeltallige verhoudingen?
Die oude Grieken wisten niet dat geluid een trilling is. Ze wisten niet dat als een snaar sneller trilt, er een hogere toon klinkt. Of dat een snaar twee keer sneller gaat trillen door ‘m twee keer korter te maken. Maar ze wisten wel dat muziek en getallen onlosmakelijk verbonden waren: muziek liet zien dat de kosmos door getallen geordend was — of maakte de kosmos zelf muziek?
Dat idee zou nog lang doorklinken. Kepler, die u misschien kent als groot astronoom, als wegbereider van moderne empirische wetenschap, ontdekte anderhalf millennium later baanbrekende wetmatigheden in planeetbewegingen. Maar vergeet niet dat hij in diezelfde planeetbewegingen op zoek was naar muzikale intervallen. En dat bedoel ik letterlijk: in zijn boeken vind je natuurlijk gewoon de bladmuziek voor elke planeet.
Het zou na Kepler nog even duren voordat duidelijk werd dat elke toon zelf een microkosmos is. Stel dat ik wat snaren van verschillende lengtes op een plankje maak. Ik sla de langste snaar aan. Waarom gaat een snaar van precies de halve lengte dan ook klinken? Waarom trilt die van één derde de lengte, of één vierde? Waarom trillen precies die snaren die meerdere keren in de langste snaar passen? Zouden die hogere trillingen als het ware al in de trilling van de lagere snaar verstopt zitten?
Dat is precies hoe het zit. In elke toon zit een — in theorie oneindige — sterrenhemel van hogere tonen verstopt: dat, beste mensen, zijn de boventonen. Een toon is een soort rijke melange van vele boventonen. Meestal horen we toch maar één toon. De boventonen zorgen vooral voor de smaak, voor de kleur van de klank: wat een viool van een hobo onderscheidt.
Het wonderlijke is nu dat de afstanden tussen de eerste paar boventonen diezelfde muzikale intervallen tegenkomen die we eerder bij snaren zagen: een octaaf, de kwint, kwart, grote terts, kleine terts, dan iets als een secunde, en zo kunnen we eindeloos met steeds kleinere stapjes doorgaan. Na een octaaf is een kwint misschien wel de reinste samenklank, en muziek uit de late Middeleeuwen zit er vol — let maar op!
[Perotinus — Alleluia]
Dissonantie en tintinnabuli
Gelijklopende kwinten vond men ooit prachtig. Eeuwen later waren ze uit den boze—beginnersfouten, eigenlijk— net zoals sommige samenklanken uit den boze waren. Een kwint is prima, dat klinkt mooi stabiel. Maar dan: de kleinste verandering en je krijgt een tritonus: een duivels dissonant interval. Een kwint klonk zo mooi stabiel omdat de boventonen van een stem of snaar zelf al een duidelijke kwint bevatten — en geen tritonus.
Niet elk instrument heeft dezelfde boventonen. Javaanse gamelanmuziek gebruikt instrumenten met heel andere boventonen. Dan klinken intervallen mooi consonant, die in Europese muziek niet eens bestaan. Er is één instrument met wel heel bijzondere boventonen: de klok. Klokken worden zo gemaakt dat de boventonen precies een drieklank vormen… Twee tertsen, een teneergeslagen kleine met daarboven een toch opgewekte, een grote.
Hier moet de Estse componist Arvo Pärt aan gedacht hebben, toen hij zijn compositietechniek tintinnabuli noemde: Latijn voor ‘klokjes’. Pärt deed iets wat maar weinigen gegeven is. Hij keerde de muziekgeschiedenis binnenstebuiten, op zoek naar de bouwstenen voor een volstrekt nieuwe, eigen klankwereld. Zijn zoektocht begon bij oude muziek, zoals die van Perotinus.
Misschien hoorde u het net: op de grond, die de eindeloos lange noten. Eigenlijk vormden die een melodie: een kerkgezang — maar dan super langzaam. Vaak werd op deze manier een bestaande melodie als ruggengraat van een nieuw muziekstuk gebruikt. Daar tegenaan componeerde — of improviseerden — mensen andere melodieën: tegenstemmen die wel aan precieze regels moesten voldoen om dissonanten te vermijden. De samenklanken, of akkoorden, die zo ontstonden werden langzaam steeds belangrijker, tot het punt dat akkoorden het fundament van Westerse klassieke muziek waren geworden. Met als hoeksteen: de drieklank. De boventonen van de klok.
Een melodie in stapjes, een tegenstem die zich aan regels moet houden, en de alomtegenwoordige drieklank. Dit werden (een paar van) de bouwstenen van tintinnabuli: de compositietechniek van Arvo Pärt. Voor elk werk bedenkt hij andere regels, maar sommige dingen komen steeds terug. En daar wil ik u een voorbeeld van geven. Ik zing zo een melodie. De alten en sopranen zingen tegenstemmen. Ze volgen de vorm van de melodie—maar: ze mogen alleen noten uit de drieklank zingen. Dat zijn de spelregels.
Pärts composities zijn ingenieuze constructies, doordrenkt van spirituele symboliek. Maar de regels hoeft u niet te kennen: de muziek spreekt voor zich.
[Arvo Pärt — Miserere]
Klinkers en boventoonzang
Fascinerend als ze zijn, boventonen zijn niet het grootste wonder der natuur. Met een veel groter wonder staat u elke dag op en gaat u elke dag naar bed. Dat wonder is de stem. Geloof me—of u een cappuccino met sojamelk bestelt of met de scheidsrechter in discussie gaat, u bent onbewust bekwaam: klankschilder van het hoogste niveau. Laat me dat even uitleggen.
Spreken, maar ook zingen, begint hier, in het strottenhoofd, waar twee stembanden in zitten. Stembanden zijn de bron van het geluid, die brengen de lucht in trilling. Als u daaraan twijfelt legt u uw vingers tegen uw strottenhoofd en zegt u even hmm hmm. U voelt uw stembanden trillen!
Uw stembanden maken een geluid: met duidelijke toonhoogte en boordevol boventonen bovendien. Maar verder is er weinig aan: het is een wat fletse brom. De klank krijgt pas kleur wanneer die door de keel- en mondholte beweegt. Die vormen samen de klankkast van ons instrument. En een klankkast is een soort zeef: sommige boventonen resoneren en komen er luid en duidelijk doorheen, maar anderen worden er juist uit gefilterd.
De vorm van de klankkast bepaalt welke boventonen door de zeef komen. Bij veel instrumenten ligt de vorm van de klankkast vast, maar zangers vervormen de klankkast continu, bijvoorbeeld de tong te bewegen. En dat kunt u even proberen: zegt u eens ie–èh–éé en let dan goed op hoe uw tong beweegt. Met onze tong kleuren we de klank door boventonen eruit te zeven, en dat horen we als klinkers. Spreken en zingen zijn, zo bezien, action painting in de hoogste versnelling.
Belangrijk is dit: elke keer dat u een klinker hoort, luistert u, of u dat nou weet of niet, eigenlijk naar de boventonen. In de meeste klinkers zitten heel veel boventonen. Maar met de nodige tongacrobatiek kan je de zeef zo afstellen dat er nog maar één boventoon doorheen komt…
Boventoonzang kent u misschien uit Mongolië. Dichter bij huis was het Stockhausen die als eerste een klassieke compositie helemaal op boventonen bouwde. Als u er nog aan twijfelt dat in elke toon een wereld van boventonen verstopt zit — spits dan uw oren voor wat u nu gaat horen. Dompelt u zich onder in een klankbad van klinkers, ondervindt aan den lijve wat er boven komt drijven en tast in het duister — maar luister!
Afsluiting
Een zindering, een trilling golft door de lucht. Een toon met daarin—daarboven: nog één toon, en nog één, en nog één. Boventonen maken dat een a niet als een i klinkt, dat een samenklank mengt of schuurt, dat snaren graag kwarten of kwinten spelen, én dat we ze daarom in hele getallen verdelen.
Een paar boventonen geven genoeg noten om eindeloos nieuwe melodieën te maken. Deuntjes die dansen, huilen, lachen, ons aanraken en vervoeren naar iets wat ‘mij’ te boven gaat. Een scheur in de kosmos waardoor oneindigheid naar binnen schijnt.Toch—wanneer weten we niet, maar ooit zingt iemand voor het laatst een lied.
[MacMillan — Miserere]