Maximilian Steinberg — Stille week

Date
context
Programmabeschrijving voor De verboden passie (2023)
Stravinski, Rimski-Korsakov en Steinberg.
In deze ingekleurde foto uit 1908 zien we (v.l.n.r.) Stravinsky, Rimski-Korsakov, zijn dochter Nadja, die later met Steinberg zou trouwen, Steinberg zelf, en Jekaterina, de eerste vrouw van Stravinsky.

Maximilian Steinberg (1883–1946) groeide op in een joods gezin in Vilnius. Een studie biologie bracht hem in 1901 naar Sint-Petersburg, waar hij al snel zijn weg vond naar het conservatorium en de muzikale zwaargewichten van die tijd: Glazoenov, maar vooral Rimski-Korsakov (1844–1908). Steinberg werd diens lieveling. “Wat voor een student ik nu toch in mijn klas heb!” riep hij ooit uit. “Zo getalenteerd, met een opmerkelijke smaak, een gevoel voor maat en pure stemvoering, een goed gehoor!” De lieveling werd Rimski-Korsakovs protegé, schoonzoon en uiteindelijk zelfs zijn opvolger aan het conservatorium. In korte tijd kon Steinberg hierdoor tot grote hoogte klimmen: al snel werd zijn werk uitgegeven en op grote Russische podia uitgevoerd.

“Zo getalenteerd, met een opmerkelijke smaak, een gevoel voor maat en pure stemvoering, een goed gehoor!”

—Rimski-Korsakov over Steinberg

Deze eer viel een andere leerling van Rimski-Korsakov niet ten deel: Igor Stravinsky (1882–1971). Vóór Steinberg ten tonele verscheen, was Stravinsky de spil in de groep studenten van Rimski-Korsakov geweest. Sterker nog, sommigen vermoeden dat Stravinsky de geliefde van Rimski-Korsakovs dochter Nadja is geweest — dezelfde Nadja die later met Steinberg zou trouwen. Wat begon als een vriendschap, veranderde voor Stravinsky in een zure rivaliteit. Vijftig jaar later vond hij het nog nodig om Steinberg te beschrijven als een “vluchtig, prijzen-winnend, voorpagina-type, in wiens ogen de verwaandheid altijd brandt, als een elektrische lamp bij daglicht.” Misschien, oppert muziekwetenschapper Taruskin, dat deze jaloezie de motor van Stravinsky’s muzikale revolte was — en van zijn antisemitisme.

“vluchtig, prijzen-winnend, voorpagina-type, in wiens ogen de verwaandheid altijd brandt, als een elektrische lamp bij daglicht”

— Stravinsky over Steinberg

Achteraf lijkt Stravinsky’s jaloezie onnodig: de enorme internationale bekendheid die hij na zijn vertrek uit Rusland verwierf, zou Steinberg nooit evenaren. Steinberg reisde na de Russische Revolutie naar West-Europa — in 1925 dirigeerde hij bijvoorbeeld zijn Derde Symfonie in het Concertgebouw — maar zijn werk werd er gemengd ontvangen. Terug in de Sovjet-Unie moest hij zich schikken naar de grillen van zijn tijd, wat maakte dat hij als componist minder invloed had dan als docent. De rest van zijn leven bleef hij werkzaam aan het Conservatorium in Sint-Petersburg, waar componisten als Sjostakovitsj, Sjaporin en Oestvolskaja bij hem studeerden.

Steinberg en zijn studenten in 1925 (automatisch ingekleurd)

Na het overlijden van Rimski-Korsakov volgde Steinberg hem op als docent aan het conservatorium van Sint-Petersburg. Hier zien we Steinberg met zijn studenten in 1925, waaronder Sjostakovitsj helemaal links.

© 2001 DSCH Shostakovich Journal, Cultural Heritage Series/Artistic Director Oksana Dvornichenko. De afbeelding is automatisch ingekleurd en vergroot.

Twee Stille Weken

Waar Stravinsky radicaal vernieuwde, bleef Steinberg oude tradities trouw, in het bijzonder die van de Nieuwe Russische Koorschool. Deze invloedrijke groep geestelijken, componisten en dirigenten bestudeerde zowel oude geestelijke gezangen als oude volksmuziek. Ze verbonden de spirituele diepte van deze teksten en gezangen met complexe, moderne meerstemmigheid. Vaak leverde dat een verzoening van ogenschijnlijk tegenstrijdige stijlen op.

De Nieuwe Russische School centreerde zich in Moskou, rondom musici als Smolenski (1848–1909), Kastalski (1856–1926), Gretsjaninov (1864–1956) en Rachmaninov (1873–1943). Maar ook in Sint-Petersburg zochten componisten naar een nieuwe, Oosters-orthodoxe klank: Rimski-Korsakov arrangeerde bijvoorbeeld oude kerkgezangen. Zijn enthousiasme voor oude gezangen heeft Rimski-Korsakov in elk geval op één van zijn studenten weten over te brengen: Steinberg.

“Het werk is een schat. Hoe laat ook, Steinbergs moment is aangebroken.”

— The New York Times over Steinbergs Stille Week

Steinberg was in eerste instantie vooral bekend om zijn kamer- en orkestmuziek. Het is dan ook opmerkelijk dat hij in 1921 begon aan de Stille Week, zijn eerste en enige geestelijke werk. Hij was daartoe ongetwijfeld geïnspireerd door componisten van de Nieuwe Russische School, en door de Stille Week (Op. 58) van Gretsja­ninov in het bijzonder. Dit werk was een paar jaar eerder, in 1912, voor het eerst uitgevoerd. Net als zijn voorganger neemt Steinberg de luisteraar mee van de aankomst van Jezus in Jeruzalem, via het moment waarop hij wordt verraden en zijn lijden dat daarop volgt, tot aan de verrijzenis-wake op de vooravond van paaszondag. Maar waar Gretsjaninov teksten uit de hele vastenperiode gebruikt, selecteert Steinberg alleen de teksten die dit lijdensverhaal vertellen.

Zowel Gretsjaninov en Steinberg grijpen in hun composities terug op oude znamenni-gezangen. Maar waar Gretjsaninov de thema’s van de gezangen vrijelijk in zijn compositie verwerkt, neemt Steinberg ze als uitgangspunt. In vrijwel elk deel weeft hij één gezang als rode draad door de compositie. De oorspronkelijke gezangen zijn daardoor duidelijk hoorbaar, maar steeds in andere stemmen: dan weer aangekleed in warme, laatromantische harmonieën, dan weer uitgekleed tot open akkoorden, en steeds weer smaakvol gekruid met dissonanten.

Verboden en vergeten

Het was een gewaagde zet om in 1921 aan een religieus werk te beginnen: Rusland was verwikkeld in een burgeroorlog en de kerk werd steeds meer onderdrukt. Kort nadat Steinberg de Stille Week voltooide, op 15 november 1923, werd de uitvoering van geestelijke muziek verboden. Steinberg schreef in zijn dagboek: “Vandaag heb ik vernomen dat alle geestelijke muziek verboden is (…). Dat betekent dat er geen hoop is om de Stille Week te horen… Nieuwe waarden zijn nog niet gecreëerd, terwijl de oude worden vernederd.”

“Vandaag heb ik vernomen dat alle geestelijke muziek verboden is … Dat betekent dat er geen hoop is om de Stille Week te horen…”

— Maximilian Steinberg

Steinberg wilde zijn Stille Week niet in de vergetelheid zien raken. Toen hij als conservatoriumdocent in de jaren 20 naar West-Europa kon reizen, publiceerde hij het werk daarom in Parijs. De partituur bevat naast het Kerkslavisch ook vertalingen in het Latijn en Engels, om zo uitvoeringen in het Westen te bevorderen. Maar tevergeefs: de eerste complete uitvoeringen zouden tot 2014 moeten wachten, toen Alexander Lingas het werk nieuw leven inblies. Een heruitgave volgde, net als maar liefst twee opnames: ook The Clarion Choir stortte zich onder leiding van Steven Fox op de Stille Week. “Het werk is een schat,” concludeerde een recensent daarna in The New York Times. “Hoe laat ook, Steinbergs moment is aangebroken.”

Dat brengt ons naar het nu. Honderd jaar na de voltooiing van de Stille Week brengt Musica Choralis de Nederlandse première van dit werk ten gehore.

Titelblad van de Bessel-uitgave van Steinbergs Stille
Week

Nadat religieuze muziek in de Sovjet Unie verboden was, liet Steinberg zijn Stille week in Parijs uitgeven, bij uitgeverij W. Bessel, die in 1918 al van Rusland naar Parijs was verhuisd. De partituur bevat naast Kerkslavisch ook vertalingen in het Latijn en Engels. Hij hoopte zo uitvoeringen van het werk in het Westen te bevorderen.